Boussu Bois, veel stelt het dorp onderin België niet voor. Maar voor de liefhebber van voetbalvelden met een verhaal en een goede look valt er op een kleine oppervlakte het nodige te genieten.
Ten zuiden van de Rue Saint-Antoine ligt een veld dat met een fraai Engels woord dilapidated kan worden genoemd. Een slecht veld met lage staantribunes aan twee zijden en aan één lange zijde een hoge muur. Toch noemt men het daar een stade. Stade Narcisse Doye om precies te zijn. Zo heet het sinds 2015. Voor die tijd was de naam Stade Saint-Charles. Narcisse Doye was ooit voorzitter van Sporting Club de Boussu Bois, een inmiddels verdwenen club. Als je goed kijkt, zie je op de hoge muur overblijfselen van geschilderde reclames. Het is allemaal marginaal, toch voel je dat hier voetbalhistorie ligt en dat de bescheiden staantribunes ooit goed waren gevuld. En als je door je oogharen kijkt, kost het niet al teveel fantasie om je daar in de jaren veertig te wanen. Op dit veld worden nog maar zelden wedstrijden gespeeld, het is gedegradeerd tot trainingsveld.


Ten noorden van de Rue Saint-Antoine is het andere koek. Daar ligt namelijk Stade Robert Urbain en als je daar rondwandelt, begrijp je dat men dat een ‘stade’ noemt. Respectabele tribunes en een club (ontstaan na een aantal fusies) die in de nationale reeksen speelt: Royal Francs Borains. Vooral de hoofdtribune springt in het oog. Een betonnen kolos waar liefhebbers van het brutalisme een ruime omweg voor zouden maken. Ook het uitzicht vanaf die tribune is de moeite. Achter het terrein doemen namelijk een paar forse terrils op. Kunstmatige heuvels, ontstaan toen gaten graven in de Borinage nog winst opleverde. De wedstrijd was, zoals het hoort, niet om aan te gluren.