Op een mistige novemberavond in 1911 werd op de Oostendse grote markt voetbalclub ‘Association Sportive Ostendaise’ opgericht, later vernederlandst tot ‘Atletische Sportvereniging Oostende’. In 1912 erkende de KBVB ASO officieel en kende de Belgische voetbalbond stamnummer 53 aan de club toe. ASO, dat speelde in de kleuren rood en groen, was dé ploeg van de kust en behaalde in zijn zeventigjarig bestaan acht kampioenstitels. Het verhaal van ASO in foto’s. 
Het eerste ASO-terrein was het Brikettenplein aan de vuurtoren in de wijk Opex. In 1921 verhuisde de club naar de ‘Butterpit’. ASO trok in de begin jaren dertig steeds meer publiek, tot groot ongenoegen van de pastoor van de nabijgelegen parochie. Hij vond dat de voetbalwedstrijden zijn zondagse vespers verstoorden.

Onder druk van de clerus verkocht de eigenaar van deze grond de velden, waardoor ASO op zoek moest naar een nieuwe locatie. Het nieuwe ASO-stadion werd gebouwd in Mariakerke, op een steenworp afstand van de zee en op koninklijke grond. Dit stadion werd gedoopt tot het Albertpark, waar ASO speelde vanaf 1934 tot het einde van de club in 1981. 


Gloriedagen 
Op deze foto zie je van voren naar achteren: de bestuursleden, de spelers en daarachter de vaandels van de vele supportersclubs. ASO speelde in 1930-1931 de pannen van het dak en werd kampioen in de derde afdeling. Aan het einde van de rit hadden de roodgroenen vijf punten voorsprong op achtervolger FC Ronse. Van de 99 gescoorde doelpunten nam Robert Lamoot er 34 voor zijn rekening. Tijdens dit seizoen boekte ASO ook de grootste competitiezege: met verbluffende cijfers (12-0!) werd Zwarte Leeuw Vilvoorde terug naar huis gestuurd.
ASO en de oorlog
Deze foto is genomen aan het einde van de oorlog. Je ziet Engelse militairen op het Albertpark en de secretaris van ASO die de spelers voorstelt. ASO had het tijdens de oorlogsjaren zwaar te verduren gehad. Oostende was ‘spergebied’ en iedere voetbalactiviteit, zelfs de kleinste training, was verboden. Het Albertparkstadion was door de bombardementen zwaar beschadigd: het veld lag vol bommenkraters en de omheining lag omver. Alleen de tribune bleef overeind, te midden van het puin.

De roodgroenen beschikten over slechts vijftien voetballers die al hun wedstrijden op verplaatsing speelden. Iedere zondag kwamen de ongetrainde ASO-spelers stipt om 07.25 uur bij elkaar op het station, soms tussen twee bombardementen door, om de enige trein te halen die de kuststad die ochtend verliet.

Speler Jérome Deschacht verklaarde ooit: “Wedstrijden in het binnenland vingen aan om 13.30 uur en dit om ons de kans te geven tijdig terug te keren. De laatste trein uit Brussel vertrok om 17.30 uur en moest theoretisch om 20.30 uur in Oostende aankomen. Meestal werd het echter 23.00 uur en vaak stopte de trein in Zandvoorde. Van daaruit zagen we soms hoe onze stad in de verte werd gebombardeerd. Toen alles weer rustig werd, legden we in looppas de afstand van vijf kilometer af om nieuws van onze familie te vernemen. En dit alles zonder enige vergoeding te ontvangen.”

De oorlog kende voor ASO een vrij noodlottige afloop. Aanvoerder Georges Hinderijckx vond de dood in het concentratiekamp van Bautzen in Dresden en de beloftevolle Marcel Van den Broucke werd door Duitse troepen een been afgeschoten en was definitief voor de voetbalsport verloren.Kweekschool 
ASO was de kweekschool voor enige bijzonder talentrijke voetballers. Dé speler uit de beginjaren was Robert Lamoot. Deze Oostendse aanvaller debuteerde op zestienjarige leeftijd in het eerste elftal, speelde officieel 119 wedstrijden, waarin hij 118 keer scoorde. Na het seizoen 1931-1932 trok hij naar Daring Brussel, wat de eerste betaalde transfer in België was. De transfervergoeding bedroeg 100.000 Belgische Frank. Eenmaal bij Daring werd Lamoot meteen A-internationaal (19 caps).

De razendsnelle Oostendse rechterhoekspeler Julien Vandierendounck speelde maar liefst achttien seizoenen in het eerste elftal (407 officiële competitiewedstrijden, 141 doelpunten) en slaagde er in om één A-cap te verzamelen. Hij verdedigde op 10 maart 1950 de Belgische kleuren in Bologna tegen Italië (3-1). Bij zijn terugkeer verklaarde hij: “Ik was de snelste Belg op het veld, maar de traagste Italiaan liep nog sneller dan ik.”

De jeugdige Laurent Verbiest ontbolsterde na vier seizoenen in het eerste elftal en versierde in 1960 een lucratieve transfer naar Anderlecht. Hij behaalde er 23 caps voor de nationale ploeg. ‘Lorenzo’ was een van de beste verdedigers die België ooit heeft gekend. Hij dribbelde graag in eigen strafschopgebied en durfde uitdagend op de bal zitten om de tegenstrever uit te dagen. De rijzige Verbiest ging met scheidsrechters discussies aan, nonchalant met één voet op de bal en handen in de zij. In 1966 kwam hij bij een verkeersongeval om het leven. Hij ontving postuum de Gouden Schoen.

En dan hebben we nog het fenomeen Pol Gernaey (foto boven), een fantastische doelman. De naam Pol Gernaey spreekt vandaag de dag nog steeds tot de verbeelding van menig voetballiefhebber. Geboren in Gistel op 25 februari 1927 kwam hij als beloftevolle speler over van de club van zijn geboortedorp naar AS Oostende. Toen hij  op 18 augustus 1947 aansloot bij de selectie, woog hij meer dan honderd kilo. ASO-trainer Hellemans onderwierp hem aan speciale trainingen om zijn kilootjes kwijt te raken. Gernaey debuteerde in het eerste elftal tijdens het seizoen 1947-1948 en zou er zich jarenlang in de kijker spelen tot het seizoen 1957-1958. Niet zelden hoorde men zeggen: “’t Is weer Gernaey die de match heeft gewonnen heeft.” Ook talrijke lofbetuigingen in de kranten: “Imposant tussen de palen”, “Even secuur op hoge als op lage ballen”, “Oerdegelijk! Zonder franjes!”

Zijn tussenkomsten getuigden van een zeldzame lenigheid en koelbloedigheid. Meer dan eens leek Gernaey hopeloos verslagen, maar kon hij alsnog met een katachtige lenigheid zijn netten schoon houden. Toch kon de keeper niet beletten dat ASO in 1958 de buiteling maakte naar de derde afdeling. Dat was meteen het einde van zijn voetballoopbaan bij de club. De doelman trok vervolgens naar eersteklasser Beerschot. Als doelman van het militaire elftal speelde hij tijdens internationale toernooien enkele memorabele duels. Het kon dan ook niet langer uitblijven of hij werd als enige speler uit de tweede klasse opgenomen in de selectie van de Rode Duivels. Hij debuteerde op 8 oktober 1953 tegen Zweden en hield zijn doel schoon. Op 5 juni 1958 sloot hij zijn internationale loopbaan af met een 8-2 zege tegen IJsland. Pol Gernaey had het als doelman van het eenvoudige Oostende toch voor elkaar gekregen om maar liefst zeventien keer het doel te verdedigen van de nationale ploeg. Een buitengewone prestatie. In 2009 werd in Gistel een straatnaam naar hem vernoemd.
Kampioen derde afdeling
In de jaren vijftig en zestig was ASO een populaire club en trok het gemiddeld vijf- à zesduizend toeschouwers bij thuiswedstrijden. Aan het eind van het seizoen 1960-1961 had ASO acht punten voorsprong op naaste achtervolger Willebroek. De roodgroenen waren met 79 gescoorde doelpunten bijzonder goed op dreef. Opmerkelijk is dat deze titel met slechts veertien spelers werd behaald. Na de behaalde titel werd deze bijzondere kaart uitgebracht.

Voetbal in Oostende, eind  jaren zestig. Aanvallend voetbal en dichtbevolkte tribunes! Raphael Delrue rukt op.
Eerste klasse
Na jarenlang in de tweede klasse te hebben gespeeld, behaalde ASO onder leiding van coach Lucien Masyn de kampioenstitel, een historisch moment. Voor het eerst in zijn bestaan, na 58 jaar, zou ASO aantreden in de hoogste afdeling. De titel werd op de voorlaatste speeldag veroverd tegen FC Antwerp (2-1). Ook voor de Belgische beker legde ASO een mooi parcours af, maar in de kwartfinale strandde de club op de latere winnaar Lierse (1-3). ASO speelde vier jaar in de hoogste afdeling van België.AS Oostende fuseerde op 22 juni 1981 met stadsgenoot VG Oostende. KVO, de Koninklijke Voetbalclub Oostende, was geboren. Fusieclub KVO speelt vandaag de dag nog steeds op het terrein van het Albertpark, in de Versluys Arena.

Tekst en beeld: Kris Heddebauw

Dit is deel V uit de serie ‘Verloren kampioenen’. Eerder werden de clubs RCF Paris, Dresdner SC, Union 92 Berlin en Daring Club de Bruxelles uitgelicht.