“Hoe lang ben jij?” Het is een vraag die je, als lange man (twee meter), tot vervelens toe richting je overal bovenuit torenende hoofd geslingerd krijgt. Toen ik net was uitgegroeid en verworden tot een wandelende wolkenkrabber, haatte ik mijn lengte en verachtte ik die vraag. Helemaal als deze triomfantelijk werd gesteld door mollige mensen. Ik dacht: kijk naar jezelf. Maar het was onfatsoenlijk om aan een bezield homp vet terug te vragen: “En, hoeveel kilo weeg jij?” Dat terwijl een dik mens de kilo’s er af kan trainen en diëten. Tot ‘overtollige’ centimeters ben je echter levenslang veroordeeld; het is niet dat je die er af holt tot je jouw streeflengte hebt bereikt.

Als voetbalverslaafd kind merkte ik eind jaren negentig op: oh, oh, ik word lang. Niet Pierre van Hooijdonk-lang (1 meter 93), maar buitencategorie: Regilio Vrede-lang (1 meter 98). Boomlang zijn, dat is in het voetbal een handicap. Een brevet van onvermogen. Mijn lengte stemde me somber over mijn voetbaltoekomst. Maar nee, ik was niet van plan me te laten verbannen naar muffe gymzalen om G-sporten als basketbal en volleybal te beoefenen: sporten speciaal uitgevonden voor zielige lange mensen.

soccerfanshop.nl

Dus speurde ik naar rolmodellen. Tevergeefs. Lange voetballers, rond de twee meter, bestonden niet. Je had Edwin van der Sar (1 meter 97), maar Edwin was keeper. En natuurlijk de Tsjechische witte reus, Jan Koller. Ook Lange Jan was geen voetballer. Net als Regillio Vrede speelde Koller kopbal. Ik wilde niet keepen, ik wilde niet koppen. Ik wilde voetballen. Het liefst zoals Zinedine Zidane en Jari Litmanen. Ik wilde mijn hoofd alleen indirect gebruiken, om creatieve oplossingen te bedenken die ik met mijn voeten ging uitvoeren, niet om er mee tegen een bal aan te rammen. Met je hersenpan tegen een bal slaan: pure idiotie. Decennia later murmel je als Jan Boskamp. Benieuwd hoe het inmiddels gesteld is met de breinen en het spraakvermogen van Vrede en Koller.

De enige lange man die echt kon voetballen, die er niet alleen letterlijk bovenuit stak, was de Nigeriaanse slang Nwankwo Kanu (1 meter 97). Kanu leek het mathematisch onmogelijke te presteren: voetballen op stelten. Benen waarmee een normaal mens al gauw in de knoop zal raken, maar Nwankwo niet. Hij maakte van zijn tentstokken toverstokken. Een wonder, want lange mannen kunnen niet voetballen. Professor Co Adriaanse zei eens over de technische onmogelijkheden van lange spelers: “De afstand tussen hersenen en voeten is domweg te groot. Het duurt te lang voordat het signaal vanuit het brein de voeten heeft bereikt.”

Zodra ik het voetbalveld betrad, voelde ik het: de vooroordelen, de blikken van de spelers van de tegenpartij. Is die lange soms verdwaald? “He, GVR, de basketbalclub is aan de andere kant van de stad!” Ging ik gebukt onder de vooroordelen? Misschien. Ik twijfelde of het mogelijk was, voetballen met dit giraffelichaam. Ook mijn trainers deden mee aan ‘lengteracisme’ en wilden dat ik het middenveld inruilde voor de positie van ‘voorschopper’.

In plaats van zelf het levende bewijs te worden dat lange mannen kunnen voetballen, speurde ik onzeker door naar voorbeelden, naar voetballers die bewezen dat lengte en techniek toch samen konden gaan. Bij mijn club, Vitesse, had je de Belg Bob Peeters (1.96 meter). Maar ook Bob was kopsterk en voetzwak. ‘Flop Peeters’ beroerde de bal beroerd, met zijn voeten behandelde Bob de bal zoals iemand met stompjes schrijft met een balpen. Hugo Camps schreef dat Bob de startsnelheid van een tractor had. In Arnhem deed een heuse Bob-mop ronde. Bob Peeters klopt aan bij de voorzitter van Vitesse en zegt: “Ik eis dat mijn salaris  in overeenstemming wordt gebracht met mijn prestaties.” Waarop de voorzitter reageert: “Daar hebben wij ook aan gedacht, maar Bob: dat kunnen we je gezin niet aandoen.”

Kortom. Het was lang tevergeefs zoeken naar een breinaald in een hooiberg. Orlando Engelaar en Gerald Sibon: gasten met gevoel in hun grote voeten, maar ze speelden wel met gekromde ruggen; spelers die zich kleiner maakten, die goed voetbalden ondanks hun lengte. Toen was daar dat bericht tijdens het Sportjournaal, ergens op een klamme zomeravond in 2001. Ajax haalt een nieuwe Zweedse spits, genaamd Zlatan Ibrahimovic. “Hij is twee meter lang”, vermeldde Tom Egbers. Twee meter! Zlatan bleek vijf centimeter kleiner, maar toch: een lange speler die scheen te dribbelen als Maradona. Vanaf Ajax-dag één volgde ik Zlatan op de grote voet.

Helaas: in zijn eerste seizoen in de ArenA bewees Zlatan de stelling ‘Lange Mannen kunnen niet voetballen’, waar ik zo vurig had gehoopt dat hij hem zou ontkrachten. De druk verlamde zijn lange lichaam en zorgde voor kortsluiting in zijn voeten. Maar de rest is geschiedenis. Zlatan is de beste lange speler ooit, eentje die ook nog eens kaarsrecht loopt, alsof hij iedere centimeter wil benutten. Zlatans lengte zit hem niet in de weg, hij gaat er niet gebukt onder, draagt zijn lengte met trots, gebruikt het als een wapen, uitermate geschikt om de bal af te schermen. Gestaag leerde Ibracadabra ook nog eens kopbal spelen, waarna hij definitief onverdedigbaar werd. Zowel over de grond als in de lucht is Zlatan superieur. Lang-zijn is geen nadeel. Alles aan Zlatan is lang. Zijn voeten, zijn neus, maar ook zijn haar… Wat Mohammed Ali was voor de donkere mens, dat is Zlatan voor de boomlange man. Een bewijs dat het toch kan: voetballen met overtollige centimeters.