Onderstaand artikel stond ook in het ‘0-nummer’ van Staantribune, dat is verschenen in december 2014. Het hele magazine lezen? Je ontvangt dit nummer in pdf als je abonnee wordt plus een speciaal COPA Staantribune T-shirt.

Een van de vreemdste voetbalcomplexen van Europa ligt in Maldegem, een stadje in Oost-Vlaanderen op een steenworp afstand van Zeeuws-Vlaanderen. ‘Edelhart de Lillestadion’ is de groteske naam van een veldje dat omringd wordt door historische treinstellen. FC Sobemai is al veertig jaar de bespeler van het bizarre terrein.

soccerfanshop.nl

Zodra je het Edelhart de Lillestadion binnenloopt, val je als buitenstaander om van verbazing. De spelers valt het allang niet meer op, maar de historische treinwagons zijn een blikvanger van jewelste. Achter het doel loop je van de treinstellen van de Britse koninklijke familie naar die van het Belgische koningshuis. Je kunt tegen een treinstel hangen waarmee Hermann Göring in 1940 naar het front ging en ondertussen een wedstrijd zien.
De bonte verzameling is te danken aan Edelhart de Lille. Hij was jarenlang de grote man van Sobemai, een groot staalbedrijf in Maldegem. De hobby van De Lille was het vergaren van vervoersmiddelen en dan het liefst treinen met historische waarde. Vanaf de jaren vijftig haalde hij ze overal vandaan om ze vervolgens in de loods van zijn bedrijf neer te zetten. Toen die vol was, werden ze op het grasveld naast de loods gezet. Treinliefhebbers kwamen van heinde en verre om ze te bekijken en te fotograferen. De Lille vond dat geweldig, want hij was trots op zijn verzameling en het streelde zijn ego dat er mensen speciaal naar Maldegem kwamen voor zijn treinen.

In 1966 kregen de werknemers van Sobemai tijdens hun pauze ineens een briljant idee. Terwijl ze boterhammen aten, had een van hen de ingeving om een voetbalploeg te beginnen. Het idee werd enthousiast onthaald door de rest en F.C. Sobemai was geboren. In de beginjaren werd er vooral tegen andere fabrieksploegen gespeeld op een veldje in Maldegem. In 1973 schonk Edelhart de Lille de ploeg een deel van het grasveld naast de loods. Dat veld werd grotesk omgedoopt tot het Edelhart de Lillestadion. Van een stadion is geen sprake, want er is geen tribune te bekennen. Maar dat hoeft ook niet, want behalve de vrouwen en wat vrienden, komt er zelden iemand kijken. Hooguit een treinliefhebber om foto’s te maken.
Van het bedrijf Sobemai is tegenwoordig amper iets over. Edelhart de Lille stierf in 2008, maar FC Sobemai bestaat nog altijd. Ze spelen wedstrijden tegen clubs die namen dragen als Camerados, Zeven Torentjes, Walrus en FC Straaljagers. Dit is het pure cafévoetbal. Of amateurvoetbal, zoals voorzitter/scheidsrechter Eric Sierens (56) het noemt. “Officieel heet het amateurvoetbal. Dat is anders dan het amateurvoetbal in Nederland. Wij staan helemaal los van de Belgische voetbalbond en spelen geen competitie. We proberen iedere week tegen een andere amateurclub een wedstrijdje te regelen. Ik fluit altijd als wij een thuiswedstrijd spelen en heb zelfs kaarten op zak. Maar als ik rood geef, betekent dat in het amateurvoetbal geen schorsing. Bij geel moet je er vijf minuten uit en bij rood mag je douchen, maar niets wordt geregistreerd.”
Sierens vertelt zijn verhaal, terwijl hij zich in de provisorische kleedkamer klaarmaakt voor de laatste wedstrijd van het seizoen. In 2003 brandde het gebouw af dat als kantine en kleedkamer diende. Het leek het einde van de club. In de krant noemde Sierens het “de doodsteek voor de club”, maar als een kat met negen levens overleefde FC Sobemai de brand. De club mocht een hoekje van de loods van Sobemai gebruiken om een kantine en twee kleedkamers te bouwen. Vooral de kleedkamers zien er erg houtje-touwtje uit. Het zijn niet meer dan wat platen die tegen elkaar zijn aangezet, maar ze zijn zó belangrijk voor de club. Stromend water is er niet, daarom maakt ex-speler Beny Roeges (48) twee grote emmers water warm. “Zo gaat dat hier”, zegt hij met een grijns. “In de hoek van de kleedkamer staan wat plastic teiltjes die de spelers kunnen gebruiken om water uit de emmers te halen. Het is wat anders dan Club Brugge hier.”

Sinds hij zijn voetbalcarrière moest beëindigen vanwege een blessure, is Roeges manusje-van-alles bij FC Sobemai. Vanavond staat hij in de kantine. Dat is volgens Roeges de levensader van de club. “Zonder deze kantine kunnen we niet bestaan. Doordat de spelers en de toeschouwers hier wat drinken, hebben we wat inkomsten als club. Het is erg fijn dat we deze ruimte hebben gekregen van de eigenaren van deze loods, want ergens anders op het terrein is geen ruimte voor een kantine. We kunnen moeilijk in een van die treinstellen bier gaan tappen, haha.”
Die treinstellen en locomotieven rondom het veld zijn de blikvanger van het terrein. Sierens wijst op een blauwe wagon. “Die is nog van Hermann Göring geweest. Hij staat hier nu al meer dan zestig jaar. Ik weet nog dat je vroeger het logo van de SS kon zien aan de zijkant van de wagon. Door de regen is die nu helemaal weggevaagd.” Iets verderop staat een bruine wagon die van de Britse koninklijke familie is geweest. “Daarmee zijn ze destijds naar de Olympische Spelen in Berlijn (1936, red.) gegaan en die in de bossen daar is van het Belgische koningshuis geweest.”

In de struiken en bomen die het veld omzomen, zie je nog enkele stokoude stoomlocomotieven staan. Ze zijn flink doorgeroest en de vegetatie groeit er dwars doorheen. In de lente en zomer is het mooi om te zien met al het groen er omheen, maar in de winter als alles kaal is, heeft het een heel macabere uitstraling. Zo nu en dan is er een liefhebber of vereniging die zo’n locomotief koopt van de erven van De Lille. Zo rijdt er tussen Baasrode en Puurs een opgeknapte stoomlocomotief uit 1907, een echte ‘loco bouteille’ van Cockerill, die ooit op het terrein stond. Ook is er nog de stoomtram die jarenlang dienst deed als kleedkamer, maar nu eigendom is van een museum in Noord-Holland en ritjes maakt van Hoorn naar Medemblik en weer terug.
Er is echter weinig kans dat er nu nog een locomotief of wagon verkocht zal worden. Sinds het overlijden van Edelhart de Lille staat alles maar wat te verkommeren. In de buitenlucht is roest de grootste vijand, hoewel de treinwagons nog altijd in redelijk staat zijn. De treinstellen van de Fyra zullen er over tachtig jaar een stuk slechter aan toe zijn als ze decennialang in de open lucht moeten staan. In de loods hebben de voertuigen minder last van roest, maar is het een dikke laag stof die alles bedekt. Stokoude Mercedessen en een jacht zijn daar de grote blikvangers. De kans dat je nog met de auto’s kunt rijden of met de boot kunt varen, is erg klein. Ooit was dat anders, weet Roeges nog goed. “Het jacht lag vroeger in de Middellandse Zee. De Lille voer langs allerlei kustplaatsen. Soms werd dat jacht hier opgeslagen, maar als hij weer zin had om te varen, gingen de deuren open en reden we de boot naar buiten en kon hij weer vertrekken.”
Eenmaal buiten wijst Roeges naar een kunstwerk dat op het terrein staat. “Dat is Pietje Milieu.” Nadere inspectie laat inderdaad zien dat het kunstwerk een mannetje moet voorstellen. “De Lille had hier vroeger een hele rij hijskranen staan”, vervolgt Roeges. “Die hijskranen lekten en De Groenen (politieke partij, red.) hebben er toen voor gezorgd dat hij ze moest opruimen. Hij heeft toen uit frustratie van een paar hijskranen dit kunstwerk gemaakt. ‘Pietje Milieu’ noemde hij het. Het is groen geverfd en heeft een grote mond, maar weinig hersens. Dat was het idee erachter. Ja, De Lille was een speciale. Het kunstwerk staat met de voorkant gericht op de autoweg die naast het terrein loopt. De Lille hoopte dat De Groenen het iedere keer zagen als ze over de weg reden. Daar haalde hij plezier uit.”

Op het veld maakt Maarten van Hulle ondertussen een hattrick voor Sobemai. De spelers, ook die van de tegenstander, zijn alleen maar bezig met de wedstrijd en niet met de wonderlijke omgeving. De meesten zullen niet eens weten dat hier historische voertuigen staan, voor hen is het allemaal schroot. Sobemai-keeper Pascal Pollet: “Wij zijn er natuurlijk aan gewend. Het is gewoon ons decor. Sommige ploegen die hier voor de eerste keer komen, staan met open mond te kijken. Daarom lichten wij ze altijd in over onze accommodatie. Het mag voor ons dan wel heel gewoon zijn, maar ik snap dat je als tegenstander verbaasd bent over al die treinen en locomotieven.”
Ondertussen schiet een speler van Sobemai keihard naast. De bal spat uiteen tegen de wagon van Göring. Als de speler dat in 1940 had gedaan, had hij een groot probleem gehad. Nu valt hoongelach hem ten deel, omdat hij zo hard naast heeft geschoten en niet op doel. De keeper pakt de bal op en trapt hem naar voren. Een paar minuten later fluit Sierens af. Sobemai wint met 5-3. De spelers pakken een biertje en wachten tot Roeges klaar is met het barbecueën van de ribbetjes. In de schaduw van Pietje Milieu wordt het seizoen nog eens besproken onder het genot van een fris pintje en een stukje vlees. Nog een paar uur en de treinstellen hebben weer rust voor een aantal maanden.

Dit artikel stond ook in het ‘0-nummer’ van Staantribune, dat is verschenen in december 2014. Het hele magazine lezen? Je ontvangt dit nummer in pdf als je abonnee wordt plus een speciaal COPA Staantribune T-shirt.