Je kon vorige week geen krant openslaan of je las dat Huddersfield Town ‘de wedstrijd van tweehonderd miljoen euro’ had gewonnen, het fijne bedrag dat de winnaar van de beslissende play-off om promotie naar de Premier League op zijn bankrekening mag bijschrijven. Dat Huddersfield volgend seizoen na 45 jaar eindelijk weer op het hoogste niveau van het Engelse profvoetbal uitkomt, is blijkbaar van secundair belang. In het moderne voetbal is het financiële gewin nu eenmaal vele malen belangrijker dan het sportieve succes.

Huddersfield Town FC in de Premier League is niettemin iets om heel blij van te worden. Tegenstander Reading had met Jaap Stam, Roy Beerens en Joey van den Berg weliswaar een Nederlands tintje, maar mijn voorkeur ging toch uit naar de club uit Yorkshire, een slapende reus met vooral een grote toekomst achter zich. Drievoudig landskampioen, in 1924, 1925 en 1926, en sindsdien al bijna een eeuw lang op zoek naar de verloren tijd.

soccerfanshop.nl

Een echte Traditionsverein, zouden ze in Duitsland zeggen, zoals aldaar 1860 München, dat in zijn play-offs het onderspit dolf tegen Jahn Regensburg en naar de 3. Bundesliga degradeerde. De harde kern kon het na tachtig minuten spelen bij een 0-2 stand niet meer aanzien en begon alvast het stadion te ontmantelen. Onmiddellijk een cordon ordetroepen op het veld, vanzelfsprekend. Een van de assistent-trainers werd naar de fans gestuurd om ze te kalmeren, maar hij deed dat op een dermate opgewonden, klassiek-Duitse wijze dat hij zélf door de ME in zijn nekvel werd gegrepen. Gekkenhuis.

Huddersfield Town en 1860 München. Twee clubs met identieke, schitterende verticaal gestreepte lichtblauw-witte thuisshirts, maar de een momenteel himmelhoch jauchzend en de ander zum Tode betrübt. Intense euforie en peilloze tragiek, ze liggen o zo dicht bij elkaar in die allerlaatste, allesbepalende minuten van het seizoen. Het maakt van de play-offs toch elk jaar weer een zinderend slot van de jaargang.

In Nederland worden we wat dat betreft ook jaar in jaar uit verwend. Het tweeluik tussen FC Utrecht en AZ deed denken aan de knotsgekke duels tussen ADO Den Haag en FC Groningen in 2011 (twee keer 5-1). Maar vooral in de promotie/degradatieduels wordt geschiedenis geschreven en krijgt mythevorming alle ruimte. De apotheosen van Cambuur – Roda JC in 2009 en Sparta – Excelsior in 2010, Bossche heethoofden met bevroren frikadellen tegen Willem II in 2012, de enorme stunt van FC Dordrecht in 2014, de one man pitch invasion van Zijne IJdelheid Franciscus Timmermans na NAC – Roda JC in 2015 en de badmutshooligan van Maastricht dit jaar.

In de voorbeschouwing op FOX Sports van de duels in de eerste ronde werd een statistiekje getoond waaruit bleek dat Helmond Sport en Emmen het vaakst deelnamen aan het toetje zonder te promoveren. Daar werd wat neerbuigend commentaar op losgelaten door de analyticus van dienst – het zal Ronald ‘hè’ de Boer wel zijn geweest, die stond zelfs bloedserieus looplijnen te analyseren in de rust van de prijsvraagwedstrijd Be Quick 2 – FC Zutphen 4 – maar volgens mij zegt zo’n lijstje minder over Emmen dan over een wezenlijke constructiefout in onze promotie/degradatiestructuur.

Voordat er promotie/degradatie tussen de eerste divisie en de hoogste amateurdivisie werd ingevoerd, was daar decennialang voor gepleit met als belangrijkste argument dat het absurd was dat Nederland het enige land in Europa was met een profcompetitie waaruit je niet kon degraderen. Behalve dat daar nog wel wat op af te dingen viel – Schotland kende bijvoorbeeld ook een gesloten systeem – lag daar niet het grootste euvel. Niet dat je er niet uit kunt degraderen, maar dat je er nauwelijks uit kunt promoveren – dat was en is de ware weeffout.

In praktisch geen andere competitie van enige importantie degradeert er maar één club rechtstreeks uit de hoogste klasse. Al sinds 1989-1990 krijgen de nummers 16 en 17 hier een royale herkansing. In de 28 seizoenen die er sindsdien gepasseerd zijn, kwam het slechts vier keer voor dat beide clubs vervolgens degradeerden. Zelfs afgetekend tweede worden, zoals Emmen in de jaren negentig regelmatig deed, leidt maar zelden tot promotie. Het huidige play-offsysteem is al een verbetering ten opzichte van de nacompetitie, maar van een gezonde doorstroming is nog lang geen sprake.

In Duitsland dreigt 1860 München nu failliet te gaan of verder weg te zakken naar de Regionalliga, het vierde niveau. Na diverse herstructureringen bestaat de Duitse piramide momenteel uit drie Bundesliga’s met daaronder een Regionalliga die maar liefst vijf regionale afdelingen kent. Gevolg is dat het schier onmogelijk is te promoveren van het vierde naar het derde niveau. Zelfs kampioen worden volstaat niet, want er zijn maar drie tickets te vergeven en dus moeten de vijf kampioenen en een nummer twee (niet eens de beste nummer twee, altijd die van Südwest) nog barrageduels spelen.

Niet voor niets wordt de Regionalliga dan ook wel de Todesliga genoemd: een kerkhof voor Traditionsvereine, die verpieteren en langzaam financieel kapot gaan. Met onze eerste divisie is het nauwelijks beter gesteld. Laat daarom drie eredivisieclubs rechtstreeks degraderen en alleen de eerstedivisieclubs in play-offs om promotie strijden. Er is dan wel geen 200 miljoen euro mee gemoeid, maar een weidser uitzicht op promotie is zowel sportief als financieel zeer welkom.

Foto boven: John Smith’s Stadium, Huddersfield Town (credits: Joris van de Wier)