Een aantal jaren geleden sprak ik met Sauro Tomà (91), oud-speler van Il Grande Torino, in Turijn. Een verhaal dat meer ging over zijn teamgenoten, zijn vrienden, dan over hemzelf. Hij woonde nog steeds dichtbij de ruïnes van stadio Filadelfia, het stadion dat in de glorietijd van Torino onder meer het decor was van 88 thuiswedstrijden zonder nederlaag. Een onneembare vesting die in 2010 echter overwoekerd werd door mos en onkruid, althans de enkele repen tribunes die de gedeeltelijke sloop van 1997 hadden overleefd.

Tomà heeft nog samengespeeld met de jonggestorven helden van Il Grande Torino, het onverslaanbare elftal dat in de jaren veertig van de vorige eeuw in Italië  vijfmaal achtereen landskampioen werd. Niemand kan hem dat inmiddels nazeggen. Waar zijn teamgenoten in 1949 verongelukten in de kracht van hun leven, had Tomà het geluk dat hij door een blessure niet met hen in hetzelfde vliegtuig zat en daardoor de dans ontsprong. Hij is in overdrachtelijke zin de enige ‘overlevende’ van de vliegramp van Superga, die vandaag in 1949 plaatsvond. En dat is niet altijd gemakkelijk geweest. Op enig moment heeft Tomà ervoor gekozen om het overleveren van zijn ervaringen en herinneringen aan latere generaties tot zijn levensdoel te maken. Tijdens het gesprek met hem stroopte hij z’n broek een paar keer op om mij de grote winkelhaak van een litteken te tonen. Als bewijs ervoor dat de knie voor hem had beslist en niet hij zelf.

soccerfanshop.nl

Il Grande Torino, 1948-1949

Il Grande Torino, 1948-1949

Zijn overgang van het kleine La Spezia naar het grote Torino was in de zomer van 1947 als een droom geweest. Tomà moest zich vanuit de provincie handhaven in de grote stad, maar de beloning mocht er wezen: hij zag zichzelf ineens terug in een kleedkamer met mannen als Mazzola, Loik en Gabetto, allemaal internationals. Door een blessure van verdediger Virgilio Maroso werd Tomà bovendien meteen in zijn eerste seizoen liefst 24 van de 40 wedstrijden ingezet om de landstitel te prolongeren. De details van dit roemrijke verleden kon hij ook in 2010 nog goed navertellen. Over de kameraadschap tussen de spelers, over zijn bewondering voor supervedette en alleskunner Valentino Mazzola, over de warme atmosfeer binnen de club. Hij had de anekdotes ongetwijfeld al honderden keren eerder verteld, maar dat deerde hem niet. Pas als je niet meer over de gestorvenen spreekt, zijn ze echt dood, leek zijn motto te zijn.

Vliegramp
Maar nog sneller dan zijn droom was begonnen, eindigde deze in een nachtmerrie. Over de ramp van Superga vertelde hij zichtbaar geroerd: “Nadat ik het verschrikkelijke nieuws had gehoord, ben ik bij een vriend in de auto gestapt en zijn we zwijgend naar de heuvel van Superga gereden. Daar werd ik door iemand die mij herkende met zachte hand tegengehouden en weggeleid van de plek des onheils. Tot de dag van vandaag ben ik die persoon dankbaar daarvoor. Dankbaar omdat ik mijn ploeggenoten niet heb zien liggen naast de resten van het vliegtuig. Hierdoor kon ik ze me blijven herinneren zoals ze waren.”

Tomà heeft inmiddels zijn meer dan respectabele leeftijd niet zonder kleerscheuren bereikt. Zijn geheugen is zwaar achteruitgegaan en de laatste jaren treedt hij naar verluidt nauwelijks nog in de openbaarheid. In 2010 gaf hij aan dat hij, als hem alles een beetje te veel werd, bij voorkeur een ommetje maakte naar het oude stadion. Om even te voelen hoe het toen was geweest. Om een moment tot rust te komen.

Of hij er weet van heeft dat op de gewijde grond van zijn geliefde Stadio Filadelfia later dit jaar een nieuw trainingsstadion zal herrijzen, is  niet bekend. Maar het zal ongetwijfeld zijn goedkeuring kunnen wegdragen dat er geen flatgebouwen zijn gekomen, waarvan sprake is geweest. De herinnering aan Il Grande Torino zal nooit verdwijnen, ook niet wanneer Tomà zich op enig moment weer zal aansluiten bij zijn veel eerder overleden vrienden. Met zijn boek Me grand Turin heeft hij zijn companen en zichzelf voor de eeuwigheid vastgelegd.

Meer over Torino kun je lezen in Staantribune #8, na te bestellen in de webshop.